Stroomopwaarts als een forel, over mystieke teksten

Een weefsel uit het Wijsheidsweb i.s.n. (zie: questforwisdom.org vanaf eind november 2017)

Inleiding op de Diwani Shamsi Tabriz

Lezing 2007

Paul Mulders

Mystieke teksten zijn een bijzonder soort teksten: fascinerend, verleidelijk, weerbarstig en paradoxaal. Om je hoofd over te breken, en dat is ook net de bedoeling. Want mystieke teksten lees je met je hart. En het hart kent zoals vanouds zijn redenen die de rede niet kent.

Het sleurt je ergens naar toe waar wij vanuit ons veilige en comfortabele leven dikwijls niet heen willen. Mystieke teksten maken ons niet zelden weerloos en bescheiden. En juist in die onmacht en hulpeloosheid kan de betekenis ervan soms tot ons doordringen, even maar, zoals een vuurtoren de duisternis een kort moment verlicht.

Tijdens het luisteren en lezen kunnen we ons zo laten openen voor het mysterie van ons bestaan. Niet zoals gebruikelijk eigenmachtig, maar ontvankelijk. Stroomopwaarts als een forel, wonderbaarlijk de hindernissen nemend die ons als sluiers afhouden van de kennis van wie wij in werkelijkheid zijn op de weg terug naar de Bron waar wij uit voortgekomen zijn.

Er bestaat een kleine anekdote uit het leven van Mevlana Rumi die beschrijft hoe in de hal van zijn huis een grote pilaar stond; hoe de mystieke dichter, met zijn rechterhand de pilaar vasthoudend, daar in tomeloze verrukking, maar nog vaker in smart en weeklagen om heen draaide, terwijl hij zijn lyrische gedichten zong en de omstanders toekeken en de liederen opschreven.

In zijn beroemde epische leergedicht de Mathnawi vertelt Rumi zelf een legende uit het leven van Mohammed die de ‘weeklagende (of mededogende) pilaar’ genoemd wordt. Mohammed had de gewoonte tijdens zijn toespraken tegen een pilaar te leunen, maar op een goede dag had men deze pilaar in de moskee vervangen door een preekgestoelte. De menigte klaagde dat zij zijn gezicht daardoor niet langer konden zien. De weeklagende pilaar klaagde over zijn scheiding van de profeet. Mohammed zei: ‘Wat is het dat je wilt? De pilaar zei: ‘Mijn ziel raakt in bloed doordrenkt omdat ik van jou gescheiden ben. Ik was jouw steun, nu ben je van mij weggerend’

Zowel deze anekdote uit het leven van Rumi als de legende uit dat van Mohammed, beschrijven in een veelzeggend beeld de essentie van de Diwani Shamsi Tabriz, (de Verzamelde Werken van Shams Tabriz).

De ongeveer 3500 lyrische gedichten van deze Soefimeester die deze Diwan beslaan, draaien slechts om één verheven thema: de smartelijke scheiding van het gelaat van de Geliefde en de hunkering ermee verenigd te worden. De metafoor van de pilaar maakt ook duidelijk dat er geen geringere bedoeling in deze verzen ligt: het gaat steeds opnieuw om dat ene, en al het andere wordt in het licht van dat ene gezien, de menigvuldige werkelijkheid van verschijnselen in het licht van de eenvoud die er aan ten grondslag ligt.

Mevlana Rumi kwam tot het uiten van zijn gedichten door de (fysieke) afwezigheid van Shams van Tabriz, zijn leermeester, vriend en portaal tot de Geliefde, door de pijn van afgescheidenheid en de hunkering weer met hem verenigd te worden. Rumi schreef zijn gedichten nimmer zoals professionele dichters dat, ook in zijn tijd, doorgaans doen.
Ze zijn een weeklacht en werden, zoals ook wel van de Psalmen verondersteld wordt, geïnspireerd, hij ontving ze. Ze kwamen rechtstreeks uit een mystieke onderdompeling of deelname of zoals hij het zelf zo dikwijls noemt, uit bedwelming voort. De geringste aanleiding, een lichtval van de zon, de geur van vers brood of het murmelen van stromend water, elke keer uitdrukking van de frisheid en nieuwheid van het leven, zetten hem er toe aan zich aan deze inspiratie over te geven en zijn weeklacht lyrisch in woorden en vaak ook letterlijk dansend of draaiend te uiten. Door deze alledaagse verschijnselen kon hij zomaar aangeraakt en beroerd worden en actief zijn oor lenend, genoopt tot het uitspreken van de geheimen die hij dan direct ervoer. En wanneer de extase, de toestand van buiten zichzelf zijn, over zijn hoogtepunt heen was, zocht hij of ‘het’ in hem weer naar de stilte, in de erkenning dat zijn Geliefde weer in hem was.
Op een kenmerkende wijze eindigen de meeste van zijn gedichten dan ook met Khamush, een oproep tot stilte, een stilte die slechts de subjectieve ervaring van eenheid is.

Mevlana Rumi ontmoette zijn vriend en geliefde Shams van Tabriz in 1242 in Konya toen hij ongeveer veertig jaar oud was. Op het hoogtepunt van zijn prestigieuze loopbaan als religieuze leraar, predikant en wetenschapper in deze middeleeuwse Turkse stad, drong Shams zich, door zijn eigen bestemming geleid, op een onverwachte en bruuske manier aan Mevlana op.

Er bestaan verschillende lezingen van dit moment waarop Shams Mevlana in één klap ontbolsterde en van al zijn wereldlijke status beroofde. In sommige beproefde Shams Mevlana door hem een vraag te stellen en bij het horen van het antwoord zou Shams op zijn knieën gevallen zijn. In andere smeet Shams Mevlana’s kostbare boeken van het ene moment op het andere in een vijver en liet hij hem berooid van zijn status als geleerde en wetenschapper achter.

Hoe het ook zij, vanaf dit moment wordt in hem de dichter geboren, een werkzaamheid die bij hem verrassend genoeg niet in hoog aanzien stond. Hem, die later wellicht de grootste mystieke dichter van de mensheid zou worden, heeft dit ambacht op zichzelf ook nimmer bekoord. In het prozawerk dat van hem overgeleverd is windt hij daar ook geen doekjes om. Het is niet het wereldse vak of ambacht van de dichter dat hem trekt. Het is de onontkoombare omstandigheid dat hij genoopt, getrokken wordt datgene uit te drukken wat door hem als Onuitsprekelijk wordt beleefd. Alleen door de kieren van de poëzie of andere mystieke taal, kan dit Onuitsprekelijke even oplichten. In zijn eigen wat groteske woorden: ‘slechts een dun gordijn van de dikte van een plakje rosbief, verbergt de vormen van wel honderd exploderende zonnen.’[1].

Door de ontmoeting met de qalandar, de zwervende derwisj Shams van Tabriz, stapt Mevlana Rumi eensklaps de ‘winkel van eenheid’[2] in. Beiden trekken zich terug en gaan geheel op in de geestelijke koopwaar van die winkel. Mevlana’s leerlingen zien hun hooggeachte leraar verdwijnen na wat hen een willekeurige ontmoeting met een vreemdeling lijkt en blijven verbijsterd en alleen achter. De onrust die daardoor ontstaat noopt Shams van Tabriz na twee jaar voor de eerste maal uit Konya te vluchten.

Mevlana is bedroefd en radeloos. Hij lijkt niet in staat zijn heimwee naar Shams te overwinnen en over de pijn van de scheiding heen te komen. Dat is het moment waarop de poëzie van de Diwan ontstaat. De enige manier om zich van zijn radeloosheid die dan aan waanzin grenst en van zijn pijn te bevrijden, is de pilaar vast te houden en zich over te geven aan de weeklacht, om zijn mystieke liefdesverlangen uit te zingen.
‘Schreeuw het uit in je zwakheid’, zegt hij later in de Mathnawi in kennelijke herinnering aan dit moment. ‘Weeklagen en huilen zijn een machtige voorraadschuur. De universele barmhartigheid is de machtigste voedster om je te troosten en te koesteren’. Hij zei, “Roep God aan. Houd je weeklacht niet in, opdat de melk van Zijn vriendelijkheid kan stromen. Heb je de tekst ‘Je dagelijks brood is in de hemel’ niet gehoord’?”[3].

Na een lange periode van eenzaamheid en van vruchteloos zoeken krijgt Mevlana het bericht dat Shams in Damascus zou zijn. Het leven is voor hem zo zwaar geworden dat hij bij het horen van dat bericht juichend uitroept: “Er is nieuws gekomen! Shams van Tabriz is in Damascus. Als hij in Damascus is, zullen er weer nieuwe morgens komen”.
Hij stuurt zijn zoon Sultan Valed erop uit om Shams te gaan halen en na maanden arriveren beiden in Konya, Shams op het paard, Mevlana’s zoon ernaast lopend.

Shams Tabrizi afgebeeld in het gedicht
“Diwan-e Shams-e Tabriz-i” van zijn leerling Rumi, Farsi schrift
(afbeelding circa 1503) BNF Paris

Maar de hereniging, en de vreugde en vrede die ermee gepaard gaan, zal niet lang duren. De vrede van Mevlana is niet die van zijn leerlingen en van de notabelen van de stad. Er zijn er onder hen die op wraak zinnen en voorgoed met de aanwezigheid van Shams willen afrekenen. Op een avond dat Mevlana en Shams samenzijn wordt er geklopt en wordt Shams naar de achterdeur van het huis geroepen. Sindsdien is er niets meer van hem vernomen.
Sommige lezingen willen dat hij gevlucht is. Andere, die waarschijnlijker zijn, zeggen dat hij vermoord is, mogelijk zelfs met behulp van de tweede zoon van Mevlana zelf.

Dit doet de smart van Mevlana zo vurig worden dat hij daarin tenslotte voorbij alle dualiteit verbrand. Later zal hij zeggen dat zijn leven slechts uit drie delen heeft bestaan: “Ik was rauw, toen werd ik gekookt, daarna brandde ik”.
En in een klassiek geworden ghazal zingt hij hoe hij uiteindelijk tot de ontdekking kwam dat Shamsi en hijzelf niet langer twee waren.

“Gelukkig is de tijd dat we samen in het paleis zitten, jij en ik, met twee vormen en twee gezichten, maar met één en hetzelfde licht. Hij is mij en ik ben hem. O zoeker! Waarom zeg ik mij en hem, wanneer hij mijzelf is en ik hem? Ja, alles is hij en ik word in hem omvat… Als ik hem ben, wat zoek ik dan nog? Ik ben nu hem en ik spreek van mijzelf. Voorwaar, het was mijzelf waarnaar ik op zoek was”.[4]

Voor het belangrijkste deel heeft de Diwan dus als een in memoriam aan zijn ‘onafscheidelijke’ vriend en leermeester het licht gezien, maar meer nog als een in memoriam aan zijn eigen bestaan in deze wereld. Hoewel hij nog ongeveer dertig jaar zou leven en zijn belangrijkste werk de Mathnawi-i Masnavi nog zou samenstellen, had hij door de onafscheidelijke vereniging met Shamsi, zijn geliefde, zijn tent voorgoed in de wereld van niet-bestaan, van Liefde, opgeslagen. In het jaar 1273 verliet Mevlana deze wereld.

Zoals gezegd is het belangrijkste thema, de allesdoordringende adem van de Diwani Shamsi Tabriz, de pijn van de afgescheidenheid en het verlangen weer naar zijn Geliefde terug te keren, zich met hem te verenigen. Dit is de onweerlegbare matrix van de 3500 ghazals of gedichten van Rumi en van zijn werk als zodanig. Alle andere thema’s vloeien hieruit voort en keren erin terug zoals een rivier uit de oceaan komt en er weer naar terugkeert. Het is de cyclus van de Liefde die de Diwan inspireert en naar ons doet uitstromen.

Mevlana Rumi was als mens en persoon ingebed in de traditie van de Islam en in het bijzonder van de innerlijke, mystieke kern ervan, die dimensie die wel tasawwuf of soefisme genoemd wordt. Tasawwuf is niet zozeer een doctrine of een geheel van leerstellingen omtrent de aard van de werkelijkheid, van God, wereld en mens, maar vooral een levende ervaring. Hij is een Weg van Terugkeer: de ervaring, de weg en de aanwijzingen voor die weg om ‘naar huis’, naar het hart van het bestaan van de mens en naar de eenheid met zijn Schepper terug te keren.

Voor Rumi staat de beleving van de alledaagse werkelijkheid dan ook geheel en compromisloos in het licht van deze weg. Alles in de schepping verwijst voor hem naar de Ene die er de eerste en laatste oorzaak, begin en einde van is. Rumi’s gezichtspunt of visie, zijn wijze van waarnemen van deze werkelijkheid, wordt daarom gekenmerkt door wat ik zou willen noemen: het Ene in het andere, en het andere in het Ene zien. Alles in de geschapen wereld is voor hem een teken en verwijst naar de alomvattende Liefde van de Ene. Elk concreet geschapen ding, ieder schepsel is voor hem een mu’ezin (oproeper tot gebed op de moskee), een teken dat oproept tot gebed, dankzegging en lofprijzing van de Ene.

De Diwan Shamsi Tabriz bestaat uit ongeveer 3500 afzonderlijke ghazals of gedichten, die in hun volle omvang pas de laatste jaren in een westerse taal toegankelijk worden.
Anders dan het epische leergedicht de Mathnawi dat na de Diwan werd samengesteld, is de Diwan als een snelle bergbeek, een onophoudelijke vloed van over elkaar rollende en struikelende waterpartijen die van een nagenoeg ontoegankelijke en nauwelijks te bestijgen bergtop afkomstig is. In de Diwan staat de lyrische dichter in de beste traditie van de fideli d’amore, de dwaze minnaars van het leven die pas gelukkig zijn als ze, zoals in de geschiedenis van de Europese troubadours in de traditie van de hoofse liefde, voor een adellijke vrouw op hun kop staan.
Maar de ‘oshshaq’ (minnaars) van Rumi en van tasawwuf staan niet op hun kop voor een vrouw. Zij zien de wereld omgekeerd omdat ze met hun voeten aan de hemel of op hun hart lopen. “Ik zie niet anders dan een hoofd dat op de grond staat als een geschenk voor Shamsi”, zegt Mevlana in met hen koor in een van zijn ghazals. Zij houden alleen de werkelijkheid van de Liefde voor waar, niet die van de wereld van verschijnselen en attracties.

Dit maakt het lezen van de lyrische minnepoëzie van Mevlana Rumi tot een bijzondere, en aanvankelijk ook wat verwarrend ervaring. Het perspectief is dikwijls diametraal tegenovergesteld aan het gangbare, het bekende. Dit komt ook tot uitdrukking in de vele paradoxen die mystieke literatuur over het algemeen kenmerkt.

Een andere bijzonderheid van Rumi’s poëzie hangt samen met het perspectief dat ik eerder noemde: de kunst voortdurend het ene in het andere te zien en het andere in het ene. Bezield als de werkelijkheid is met de geur en kleur van de Geliefde, is niets van de dagelijkse wereld om ons heen hiervan uitgesloten. Alle dagelijkse of natuurlijke verschijnselen worden door Rumi opgetild naar het hoogste niveau dat maar mogelijk is: dat van de Ene Geliefde waarin en waaruit alles bestaat.

Men zal in de Diwan tevergeefs poëzie aantreffen over de natuur of de kunst, zoals bij andere mystici nog wel het geval is. Voor Mevlana Rumi bestaan er geen bemiddelende niveaus die een relatieve waarheid in zichzelf vertolken. Dat maakt zijn poëzie door en door religieus en het lezen daarvan een oefening in islam (overgave, onderwerping). Niet van de godsdienst Islam, maar van overgave in het besef van onze absolute afhankelijkheid van de Ene.

Mijn poëzie

Mijn gedichten lijken op
het brood uit Egypte:
als er een nacht over heen gaat
is het niet langer eetbaar.

Neem ze dus nu tot je,
nu ze nog vers zijn en
voordat het stof van de wereld ze bezoedeld,

Een gedicht hoort hier,
in de warmte van je borst.
Buiten in de wereld
sterft hij van de kou.

Zelfs wanneer je mijn gedichten hoort
terwijl ze nog vers zijn,
moet je zelf je eigen beelden aanwezig maken.

Wat je feitelijk eet, mijn vriend
is je eigen verbeelding.
Deze poëzie bestaat niet uit
oude zegswijzen en spreuken.

Water uit jouw bron

Wat was er in het licht van die kaars
dat mij zo snel opende en verteerde?

Kom terug mijn vriend!
De vorm van onze Liefde is niet een geschapen vorm.

Niets kan mij helpen behalve die schoonheid.
Er is een dageraad die ik mij herinner

Toen mijn ziel iets hoorde
van jouw ziel. Ik dronk water

Van jouw bron en
voelde dat de stroom mij meenam.

Geen verwachtingen

Een geestrijk mens die deze wereld bewoont
en het hemd van de liefde niet draagt,
leeft in ongenade en is een schande.

Wees een dwaas in de liefde,
want liefde is alles wat er is.

Je komt niet anders in Aanwezigheid
dan door een uitwisseling van liefde.
Als iemand je vraagt ‘Maar wat is liefde?’
antwoordt dan: ‘het ontbinden van je eigenwil’.
Werkelijke vrijheid overkomt diegenen,
die de vragen rond vrije wil en lot, aan zich
voorbij hebben laten gaan.

Liefde is een keizer.

Beide werelden spelen met hem.
Hij merkt hun buitelende spel nauwelijks op.
Liefde en minnaar leven in de eeuwigheid.
Andere verlangens zijn maar substituten
voor deze manier van zijn.
Hoe lang wil je in de omhelzing van een dood lichaam liggen?
Houdt meer van de ziel, want
die kan niet vastgehouden worden.

Wat er in de lente geboren wordt, sterft in de herfst.
Liefde is ongevoelig voor seizoenen.
Als je wijn uit druiven perst,
kun je soms een kater verwachten.
Maar dit pad van liefde kent geen verwachtingen.
Voel je je, in je vereenzelviging met jouw lichaam, ongemakkelijk?
Stop daar dan mee. Reis veel lichter,
er liggen immers vleugels voor jou gereed.

Wees zo helder als een spiegel
die niets weerspiegelt.
Wees schoon van beelden en van het getob
dat samenhangt met de aanwezigheid van beelden.
Richt je blik op diegene die zich niet schaamt
of bang is voor welke waarheid dan ook.
Omvat elk menselijk gelaat in de jouwe
zonder over hem of haar te oordelen.
Wees zuivere leegte.

Wat is er daar dan, vraag je?
Stilte, meer kan ik niet zeggen.
Minnaars hebben enkele geheimen
die zij bewaren.

Geen ruimte voor vorm

In de nacht dat je de straat oversteekt
van je winkel en je huis
naar het kerkhof,
zul je me horen roepen vanuit
het open graf, en je zult beseffen
dat we altijd samen zijn geweest.

Ik ben de heldere bewustzijnskern
van je wezen, dezelfde in
verrukking als in zelfvernietigende vermoeidheid.

Die nacht, als je de angst voor de slangenbeet ontvlucht
en alle ergernis over de mieren, zul je
mijn vertrouwde stem horen, de kaars zien ontsteken,
de wierook ruiken, het verrassingsmaal gereedgemaakt
door de minnaar in al jouw andere minnaars.
Dit tumult in je hart is mijn teken
aan jou dat in het graf ontvlamt.

Dus wind je niet op over de lijkwade
en het stof op de weg naar het kerkhof.
Die worden opengescheurd en weggewassen
in de muziek van onze uiteindelijke ontmoeting.

En zoek mij niet in een menselijke vorm.
Ik ben in jouw zoeken. Er is geen ruimte
voor vorm in deze grote liefde.

Sla de trom en laat de dichters spreken.
Dit is een dag van zuivering voor hen die
reeds rijp zijn en ingewijd in wat liefde is.
Het is niet nodig om te wachten tot we sterven!

Hier willen we meer dan geld en roem
en rood gebraden rollade.

Wel, hoe zullen we dit nieuwe kijkhuis noemen
dat in onze stad geopend is en
waar mensen rustig zitten
en hun schitterend kijken, bij wijze van antwoord,
als licht uitstorten?

Iemand kwam aan de deur van zijn vriend en klopte aan:
‘Wie is daar?’
‘Ik ben het’.
De vriend antwoordde, ‘Ga weg. Er is geen plaats
voor rauw vlees aan deze tafel’.

De man ging een jaar lang zwerven.
Niets anders dan het vuur van afgescheidenheid
kan schijnheiligheid en ego veranderen.
De persoon kwam volledig gekookt terug,
en liep op en neer voor het huis van de vriend,
en klopte zachtjes.
‘Wie is daar?’
‘Jij’.

‘Alsjeblieft, kom binnen mijn zelf.
Er is geen plaats voor twee in dit huis’.
Het dubbele eind van de draad gaat niet
door het oog van de naald.
Alleen een aandachtig gepunt draadje,
niet een groot ego-beest met een boel bagage.

Maar hoe kan een kameel tot zo’n draadje uitgedund worden?
Door het scheren van oefeningen, door dingen te doen.
En met de hulp van iemand die onmogelijke dingen
mogelijk maakt, die eigenwil tot rust brengt,
die zicht geeft aan iemand die vanaf zijn geboorte blind was.

Wie anders dan jij?

Ik zweer je, mijn schat,
niemand in de hele wereld
is zo kostbaar als jij bent.

Kijk eens in de spiegel,
kijk goed naar jezelf.
Is er nog iemand boven of voorbij jou?

Geef jezelf nu een kus
en vul je oren tot aan de rand
met zoete woordjes.

Neem alle schoonheid waar
die zich in jou weerspiegelt,
en zing een lied uit liefde voor jouw bestaan

Je kunt je ziel nooit genoeg prijzen.
Je kunt je nooit goed genoeg voor je hart zorgen

Je bent zowel de minnaar als de Geliefde,
de suiker en het suikerriet

Wie anders dan jij,
zeg me: wie anders dan jij,
kan ooit jouw plaats innemen?

Glimlach nu naar jezelf.
Want wat is de waarde van een diamant
als hij niet lacht?

Hoe kan ik ooit een prijs zetten
op de diamant die jij bent?
Jij bent de hele schat van het huis.

Jij en je schaduw
zijn voor altijd in deze wereld aanwezig.
Jij bent die heerlijke paradijsvogel.

De Geliefde in mij verborgen

Hier is iemand verborgen
die mij beet gepakt heeft
en me niet laat gaan.

Hier is iemand verborgen
die zachter is dan de ziel
en mij dakloos maakte.

Hier is iemand verborgen,
een stralend gezicht dat zo delicaat en vloeiend is
als het vluchtige moment voordat men in slaap valt.

Hier is iemand verborgen
zoals zoetheid in suikerriet verborgen is,
een onzichtbare tovenaar die mijn ziel veroverde.

Ergens verborgen in mij
zijn mijn Geliefde
en ik in elkaar opgelost.

Geen schoonheid ter wereld kan mij ooit verleiden
want ik zie alleen het gelaat van mijn Geliefde.
Moe en vol pijn zocht ik in de wereld om hulp
totdat ik in de liefde het geneesmiddel voor mijn pijn vond.

Iemand die hier verborgen is fluisterde:
‘Ga voorbij je tranen en je zult zien dat de minnaars met gebroken harten
de eerstelingen van de hemel zijn’.

Hier verscheen iemand die verborgen is,
die de wijn van liefde in handen heeft en
aan wie ik al mijn geloften zal aanbieden.

Literatuur
  • Coleman Barks (1995) The Essential Rumi, Translations by Coleman Barks. San Francisco: Harper. Zie ook: colemanbarks.com.
    Alle in dit artikel vertaalde teksten zijn — tenzij anders aangegeven — vertalingen door Paul Mulders uit het Engelstalige werk van Coleman Barks, de Amerikaanse dichter en bekendste vertolker van Mevlana Rumi in het Westen. Barks vertolkingen zijn in de Amerikaanse stijl van het free verse. Barks wordt wel bekritiseerd dat hij daarmee aan de Islamitische inbedding van Mevlana’s verzen voorbij is gegaan.
  • Sipko den Boer en Aleid Swieringa hebben de laatste twintig jaar veel teksten van Mevlana Rumi vertaald. Zie: lightsong.info/books
  • De Mathnawi van Rumi werd eerder vertaald door Abdul Wahid van Bommel en (nog maar gedeeltelijk) door Marcel Derkse. Zie: trouw.nl/home/roemi-is-als-een-spirituele-sauna~a22bb15d.

[1] Mathnawi, Boek VI, 4891
[2] Rumi noemt zijn Mathnawi de ‘Winkel van Eenheid’
[3] Mathnawi, Boek II, 1951-56
[4] Walad-Nama, van Rumi’s zoon Sultan Valed

———————–

drs. Paul Mulders

Paul Mulders

(1945) is politicoloog, tuinman en emeritus geestelijk verzorger in de ouderenzorg. Hij is begeleider van de postacademische leergang ‘Geestelijke Leiding aan Ouderen’ van Luce/Crc aan de Katholieke Faculteit Theologie van Universiteit van Tilburg. Hij was eerder 10 jaar lang leerling in de Mevlevi-traditie, een spirituele leerschool binnen het soefisme die teruggaat op Mevlana Rumi. Hij houdt al jaren voordrachten en cursussen over deze traditie. Daarnaast gaat zijn interesse nu vooral uit naar thema’s als de kunst van het goede ouder worden en die van de solitudo, de weg van het vreugdevolle alleen-zijn.
Hij is te bereiken via: paulmulders@planet.nl.
Nog geen reacties.

Geef een reactie